Wolluis (Pseudococcidae): herkennen en aanpakken
Bijgewerkt: 25 augustus 2026
Wolluis is de plaag die je als witte, wattige propjes ziet zitten in de bladoksels en op de plekken waar stengels samenkomen. Het beestje beweegt traag en verstopt zich graag, en juist daardoor wordt het meestal laat opgemerkt.
Bij kamerplanten kom je wolluis vooral tegen bij orchideeën, vetplanten, soorten met dik blad en planten met diepe bladoksels.
Hoe je hem herkent
- Uiterlijk: volgens de RHS tot 4 mm, ovaal en met een zacht lijf. Over dat lijf ligt een witte, wasachtige laag die op watten lijkt. Haal je die laag uit elkaar, dan komt er een rozeachtig of lichtgekleurd beestje onder vandaan.
- Waar hij zit: in de bladoksels, waar stengels samenkomen, aan de onderkant van bladeren, onderaan bloemstengels, langs de potrand en op de wortelhals net onder de grond. Kortom, overal waar je niet kijkt.
- Beweging: hij beweegt heel traag en lijkt op het eerste gezicht stil te zitten.
- Het eizakje: de vrouwtjes leggen hun eieren in een groter en rommeliger wattig zakje. Die zakjes zien er groter en warriger uit dan de losse beestjes.
Plakkerig blad maakt wolluis niet in zijn eentje. Het onderscheidende teken is de wattige, wasachtige laag: zie je op een scheuttop een opeengepakt groepje zachte beestjes zónder wattige bedekking, kijk dan bij Bladluis.
Diezelfde plakkerige laag laat schildluis ook achter; die heeft geen wattige bedekking maar een hard schildje, en zit niet in de bladoksel maar op de stengel en langs de hoofdnerf aan de onderkant van het blad. Voelt het bultje hard aan in plaats van wattig, kijk dan bij Schildluis.
Schimmel of wolluis?
Deze twee worden vaak verward. Raak ze voorzichtig aan met een stokje of met je nagel:
| Schimmel | Wolluis | |
|---|---|---|
| Vorm | Vlak, plakt aan het oppervlak | Bol, met een lijfje eronder |
| Bij aanraken | Valt uiteen en laat een veeg na | Er komt een beestje uit |
| Plakkerigheid | Geen | Het blad wordt plakkerig |
| Mieren | Komen niet | Kunnen erop afkomen |
De signalen
- Witte wattige propjes in de bladoksels en waar stengels samenkomen
- Een glanzende, plakkerige laag op het blad
- Vergelend blad, achterblijvende groei, nieuw blad dat misvormd uitloopt
- Na verloop van tijd zwarte roetdauw op de plakkerige laag
- Mieren die rond de plant lopen
Wat je eraan doet
1. Zet de plant apart. Wolluis verspreidt zich via bladcontact en tussen potten onderling.
2. Veeg ze stuk voor stuk weg. Bij deze plaag is dat de eigenlijke methode. Haal elk beestje afzonderlijk weg met een vochtige doek of een wattenstaafje. Omdat de wasachtige laag ze tegen water beschermt, is afspoelen op zichzelf niet genoeg.
- Kijk vooral in de bladoksels en waar stengels samenkomen.
- Bij planten met dik en stevig blad veegt het makkelijk.
- In nauwe hoekjes kom je met een wattenstaafje.
- Spoel je doek vaak uit; anders verplaats je de plaag naar een ander deel van de plant.
3. Spoel daarna af. De plant na het vegen afspoelen met lauw water haalt de achterblijvers en de plakkerige laag weg. Dek de bovenkant van de pot af zodat de potgrond niet uitspoelt.
4. Controleer de wortelhals. Blijft de plant verzwakken, haal hem dan uit de pot en kijk naar de wortelhals en de potrand. Zie je daar witte wattige sporen, dan kan het om wortelwolluis gaan; dan moet de grond helemaal vervangen worden en spoel je de wortels goed schoon. Gooi de oude grond weg in plaats van hem opnieuw te gebruiken; kijk bij je gemeente wat er in de GFT-bak mag.
5. Herhaal het zolang je dieren of hulzen vindt. De eizakjes ontgaan je bij de eerste beurt en daar komen nieuwe beestjes uit. Bij deze plaag is herhalen extra belangrijk.
Wat niet werkt
- Alleen afspoelen. De wasachtige laag stoot het water af.
- Alleen de zichtbare propjes weghalen. Controleer je de bladoksels en de wortelhals niet, dan komt het terug.
- Achter de mieren aan gaan. De mieren zijn het signaal; ze komen af op de zoetige honingdauw van de wolluis. Ze wegjagen lost niets op.
- Eén enkele behandeling. Door de eizakjes is herhalen noodzakelijk.
Bij welke planten vaker
Wolluis komt vaker voor bij planten met diepe en nauwe bladoksels, want daar kan hij zich verstoppen en daar kijkt niemand. Bij orchideeën zit hij onderaan de bladeren en tussen de wortels, bij vetplanten tussen de bladeren, en bij soorten met dik blad op de plekken waar stengels samenkomen.
Die plekken regelmatig nalopen is de handigste manier om wolluis vroeg te vinden.
Planten waarbij het vaak wordt gemeld zijn de Crassula, de kerstcactus, de Clivia en de amaryllis. Andere veelvoorkomende dragers met diepe bladoksels of dik blad zijn de wasbloem (Hoya), de erwtenplant, de Kalanchoe en de lippenstiftplant.
Voorkomen
- Houd nieuwe planten twee tot vier weken apart en kijk in die weken in de bladoksels.
- Maak er een gewoonte van om maandelijks te kijken op de plekken waar het blad aan de stengel vastzit.
- Neem het blad af en toe af met een vochtige doek; dat haalt het stof weg en je ziet het vroeger.
- Zet planten niet te dicht op elkaar. Op een volle vensterbank raken bladeren elkaar en dat is precies de weg waarlangs wolluis overstapt.
Bij een hardnekkige of terugkerende aantasting kun je het beste advies vragen bij een tuincentrum of hovenier.
Een overzicht op symptoom vind je op de pagina Plagen.